Posts Tagged ‘L.P. Boon’

RADIO, LIVE TRANSMISSION

november 6, 2008

(Voor Ilonka R.)

 

Over de biotoop is weinig bekend. Mogelijk groeit de “valse plataan” alleen in de volksmond. In elk geval hadden ze bij Dirk V. en Didi de Paris thuis achter in de tuin een valse plataan staan…

 

Alles, de huizen en de percelen waarop ze gebouwd waren, was berekend en uitgemeten. Tussen hoge muren lag het tuintje. Links voor  – een uitbouw, een aanbouw – het atelier van de vader.  Daaraan vastgekoekt, dramatischer kan het niet, het meest miserabele weeceetje van West-Europa. Zonder stromend water. Echt iets voor mensen die nog geen toiletpapier kochten. 

            Daarachter, nog ter linkerzijde, de enorme zandstenen muur. Bovenaan schuurde tegen de hemel aan een jaartal: 1792.

            Verder alleen hoge witgekalkte muren. En de rest was aanbouw, zo ver het oog reikte. Een kakafonie  van hoge tonen en lage tonen, de koterij bij de buren.

            De tuin was een kubus. Strak gecomponeerd samenspel van staande en liggende lijnen. De middeleeuwse galg, de kubus van Francis Bacon. De tuin van Villa des Roses? Of “Suprematisme”, 1922-1927 van Kazimir Malevitsj?

            In de witte kubus bloeiden rozen en vele andere bloemen, alles binnen de perken. Op de vensterbanken treurden de geraniums in de  daartoe bestemde bakken. Een rond cementen vijvertje in het midden van het gazon -Malevitsj? Meer heeft een schrijver niet nodig om aan de slag te gaan…

            En hier gebeurde het. Voor de allereerste keer. Op een gammel tuintafeltje. Dirk V zat op een oude keukenstoel. Die zakte–heel vervelend – voortdurend in de grond. Dirk tikte op een schrijfmachine. Sinterklaasgeschenk. Van zijn zus. Paar jaar ouder. Hij had het over Pancho Villa. In de eerste zin stond het woord “revolutionairen”.

 

Op dit gazon gebeurde het, een slordige tien jaar later. Op een warme dag bij het vijvertje zat Didi de Paris, in volle wording, tussen de madeliefjes in een strandstoel… “Chaise Atlantique” heette zoiets toen nog. Didi keek naar de witte wolkjes in de staalblauwe hemel. Hij wist niet of het boek, de wereld, of de stoel plots was dichtgeklapt.  Dan, als in een koortsaanval, las hij  verder in de bladzijden van de oude  Marquis.

            Was het 1979? Of 1980? Louis-Paul Boon was al dood. Uit de transistor klonk venijnige muziek. Kwamen de kwalijke klanken uit de grond? Als op een mooie zomerdag een vlieg die sterft in een bodempje limonade.  

            Hij luisterde, al zo een tien jaar ’s nachts onder de dekens met zijn minitransistor naar radiopiraten. Daarvoor was hij alleen maar bang geweest, ´s nachts. Het rolluik mocht nooit neer. Van deze poppenkast mochten de gordijnen niet dicht. Soms, als hij de slaap niet kon vatten, en de sterren en vliegtuigen telde, viel van onder, vanuit het atelier van zijn vader, een vreemd licht. Het veranderde de tuin in een speeldoos, een camera obscura. Dan kon het gebeuren dat in de tuin de broeierige zomernacht de tover kreeg van een winternacht vol sneeuw.  Spookverlichting viel op het gebladerte van de valse plataan. Dirk kroop diep onder de sprei. Zijn ogen dichtgeknepen, en hij zette het op een bidden. Hartstochtelijk. Opdat in de valse plataan niet aan hem verschijnen zou O. L. Vrouw.

THIS MONKEY’S GONE TO HEAVEN

november 5, 2008

 “De duivel bestaat en god bestaat en de mens bestaat. Duivel en god slechts als droom of zeepbel, een real nichtigkeit (zoals data in een informatiestroom), een rol die gespeeld wordt door een acteur. Afhankelijk van de vertolking krijgt men soms een leven na de dood. Niemand weet voor hoe lang.”

Gelukkig is er reclame. Reclame biedt houvast. Reclame geeft structuur – Aan het leven, aan onze dagen. Reclame knipt in stukjes; reclame houdt nauwlettend de klok in de mot, om het angelus te kleppen of een doos Kelock’s voor ons uit te schudden. Reclame serveert een beschuitje of een Royco Minute Soup, een tienuurtje of een vieruurtje, een zoutje of een zoetje of een zuurtje. Dit is mijn bloed. Dit is mijn lichaam. Drink en eet hiervan gij allen. Gulzig. Knapperig vers. 0% vet. Bevat Omega 3. Boordevol vitamines. Ik straal van binnen.

Alle reclame is heilig – Behalve trailers voor Bambi.

Reclame is de onderbreking die nodig is om de dingen te laten bezinken, herkauwen, een kort moment van contemplatie, de tijd die nodig is om naar de koelkast te lopen, het kort moment waar bedrijven zwaar voor betalen om ons de kans te bieden even naar het toilet te gaan. Reclame is de Goede Boodschap. Wonderbaarlijk vermenigvuldigd. Reclame is de god waaraan men offert. Clips zijn onze gebeden, de avond een paternoster van clips.

Een kort moment van afwezigheid. Is het narcolepsie? My Own Private Idahio. Time-lapse beelden. Het universum vervat in een seconde. “Een fenomenale feminatheek,” hoor ik mezelf nog zeggen, “zouden de mensen daar vandaag nog wakker van liggen? Onschuldige prentjes. Een zielige oude man die duizenden prentjes uitknipt en die rangschikt volgens thema, zoals reclame onze dagen en ons leven, structureert.”

Te allen tijde moet men er zorg voor dragen dat een speech niet verwatert. Ik vreesde dat sommigen toehoorders reeds kenmerken van uitdroging begonnen te vertonen. Ik probeerde hun aandacht te houden. Het is goed de toespraak te larderen met een grapje.

“Schrijven is schrappen”, zei ik, “U inspireert mij.

Verwacht van mij geen nieuwe religie. Het zou fijn zijn als er een god bestond, een hiernamaals en alles wat erbij hoort. Ja, dat zou fijn zijn, als er een grote zalvende troostende god zou bestaan. Maar wij weten beter. Als kind wou ik de sprookjes zo lang mogelijk rekken. Kunstmatig in stand houden. Achterhoedegevecht tegen de realiteit die verschrikkelijk was. God is Peter Pan, en Pan is een god, en god is pan. Maar niemand weet hoe lang.”

In mijn hoofd – “Ge kunt nie’gelove’wa’nen magnifieken toon. ’t is just de stemme van Louis-Paul Boon- klinkt een lawine van lawaai. Een song. Van The Pixies. Snoeihard: Monkey Gone To Heaven.

VLAAMSE POLYFONIE (TUSSEN SLAPEN EN WAKEN)

november 3, 2008

Het is allemaal een kwestie van timing. Ruik ik wierook? Het is een grijze ochtend. Kraaien krassen in de mist. Is het wijwater dat uit mijn mond spat?

Ik nipte van mijn glas. Stormachtig applaus barstte los… Ik wist niet hoe lang ik de massa nu al in bedwang hield. Zo ver ik mij herinner heb ik nooit black-outs gehad. Wel is er het troebele terugblikken op de sjamanistische missies, verspreid over de jaren. Allen verliepen volgens hetzelfde scenario: mijn lichaam bleef ergens liggen terwijl mijn geest ongecontroleerd door tijd en ruimte flitste.

Tijdens mijn speech in de Oude Abtswoning van de Abdij van Dieleghen voelde ik mij weer als aan de universiteit. Dat besef ik nu bij het neerschrijven van mijn zeven litanieën. Buiten het aula-gebeuren verliep alles er prima. Naar sommige lessen was ik al zo lang niet meer geweest dat ik er mijn kop niet meer durfde te vertonen.

Het is de altijd weerkerende droom: in de grote zaal krijg je de vragen. Je hebt vier uur de tijd. Alles gaat uitstekend. Tot het vijf voor twaalf is en je merkt dat je nog maar één van de twintig vragen opgelost hebt…

Ik vrees de vragen die buiten het boekje vallen (apocrief): waar heb je nu weeral gezeten? Je tijd zo zitten verdoen! Je bent net Rip van Winkle. Jaren geslapen, decennia geleden. Een verhaaltje in een handboek Engels. Alle boerenkinkels liepen rood aan, stotterden, struikelden allemaal over het woord “people”, leek verdacht veel op “poepen”.

Of je bent een still uit een film. Een van de patiënten die lijden aan katatonie. Een gevolg van hersenontsteking. Het is jaren zestig. Een jonge neuro-psychiater experimenteerde met L-Dopa. Verbazingwekkende resultaten werden behaald. Niemand kan zeggen voor hoe lang.

Wanneer word jij eens slimmer? Wanneer ga jij eens iets leren? Je draai vinden in ’t leven? (De vragen blijven priemen.)

’t Is toch erg voor al die mensen die daar naar u zaten te luisteren, en diegenen die u hier nu lezen – misschien.

Sommige gelovigen keken mij schaapachtig aan, anderen engelachtig, en hier en daar een die stond beaat te glimmen – alsof ze Hertekamp verwachtten. Eentje ergens ver weg in het publiek hoorde ik gremellachen. Hij had een roodaangelopen hoofd (waarschijnlijk een professionele receptieschuimer): “Alla, is dat nu ook al nen heilige, een tekst over de verschijning van Louis Paul Boon?”

AN ANGEL AT MY TABLE

oktober 24, 2008

Zaterdag 12 mei 1979.  Het academiejaar liep ten einde en nog was ik aan de studie niet begonnen. Gelukkig had ik in april longontsteking opgelopen en belandde ik een tijd in het ziekenhuis. De kamer lag op het gelijkvloers en bood elke ochtend het zelfde vertrouwde panorama: fabrieken met mysterieuse vuren die opflakkerden tegen grijze wolken, boven het kanaal hingen meeuwen, even traag als de lijkwagen die voorbij reed. Mijn lievelingsnummer was “Final Taxi” van Wreckless Eric. Op Stiff Records. In mijn kamer stierf een man. Ik probeerde overal het goede in te zien. Het hospitaalverblijf zou een uitstekende excuus zijn voor mijn te verwachten academisch Waterloo. Daarop broedde ik die zaterdagnamiddag in mijn jongenskamer. De cursus hield ik als een brevier in mijn handen. Ik was inmiddels tot de conclusie gekomen dat een studie niet te combineren viel met een gigantisch alcoholverbruik, zeker niet als er nog een factor in het spel was die men jaren later makkelijkshalve omschrijven zou als ADHD. Ik kon dus rustig de radio aan laten…

Tot het bittere einde probeerde ik de aandacht vast te houden. Het valt niet mee in je eentje honderdvijfitg man in toom te houden. Ik vervolgde mijn pleidooi voor vrijheid, en tegen haat. Hemel en aarde wou ik verzetten om mijn naaste bij te brengen dat het hoog tijd is het apocalyptische nihilisme een halt toe te roepen. En dat het “nee” aan de onderdrukking ingebed wordt in het “ja” aan het leven. Ik bespaarde mijn publiek de herhalingen, de making of, de verschillende versies van een tekst, de ontogenese. In die Abdij van Dieleghem hield ik mij alleen aan de tekst, mijn stem luidde als een klok. 

Zat er een bedoeling achter? Was het opgezet spel? Net op het moment dat ik dacht de bodem bereikt te hebben, echt niet meer wist van welk hout nog pijlen te maken, kwam uit de transistor een stem. Van een dode. Twee dagen eerder, was hij gestorven. Verbazend hoe snel het nieuws mijn jongenskamer bereikte. Hoe lang duurde het eer het nieuws van de bestorming van de Bastille de buitenwijken van Parijs bereikte?

Het was “Het bos bij nacht”. Een tekst over de dood van zijn broer. Talking blues, onderlijnd met een dikke streep klassiek. Een dichter was hij niet echt. En als het allemaal zo triest niet geweest was had ik erom gelachen. Die gast krasste als een kraai. Zijn timbre en uitspraak waren nog slechter dan de mijne, zijn Nederlands nog erger –

Schrijven is schrappen. Bij eke syllabe verdwenen woorden uit mijn cursus. Alsof die rauwe stem dat allemaal wegschraapte. Gelijktijdig groeide in mij het besef dat ik misschien toch iets kon aanvangen met dat leven van mij. En daar stond hij mij helder voor de geest, hij grijnsde naar mij, als een spook uit een theaterspel van Shakespeare: Louis-Paul Boon.