“Elvis & ik” 1/4

juli 3, 2014

Screenshot 2014-06-02 14.11.23

1

Blijkbaar heeft de komeet de passage langs de zon overleefd. De zon vond vandaag de moed niet om op te staan. Winter hangt in de lucht.

Ik denk aan de dagen met Elvis.

Elvis & ik hingen rond. Overal waar er lawaai en heibel was.

Het deed onze ouders veel verdriet.

Elvis & ik, wij droomden van grootse ontsnappingen, uit helse oorden, zoals Steenokkerzeel en Verbrande Brug.

Ik was de eerste om alle bruggen achter mij te verbranden, en vond asiel in Leuven, het stadje waar Stella door de Dijle stroomt.

Zes maanden zou ik blijven. Londen, Parijs, Berlijn lonkten. Ik bleef steken… In de naar Stella stinkende Boerenbondnegorij.

Lang niets gehoord van Elvis. Punk, new wave… Krakers, anarchisten, autonomen… Rockband, theater… Voor hij er erg in had was hij verslaafd, onherroepelijk verslaafd, aan schrijven. Boekje hier, boekje daar. Een voorbeeld ben ik nooit geweest. Ik –de brasser van het alfabet – was ermee begonnen. Gekmakende boekjes, met losgeslagen zinnen, wild & kapot… Elvis volgde langzaam: zwanen sierlijk op het water. Flinterdunne boekjes, puntgave zinnetjes. Verstilde kristallen figuurtjes, op een zwarte spiegel. Glas geblazen in een waaier van kleuren, sierlijk…

‘Mijn wraak zal zoet zijn’ is de slotzin van ‘Suiker’. Het afstandelijk verhaal ‘De steen’ komt overeen met het beeldhouwwerk ‘Het begin van de wereld’ van de beeldhouwer Brancusi. De onbeweeglijkheid van een steen. Stoïcijns, boeddhistisch. Kan kunst de wereld redden? Kan kunst het lijden opvangen? Allemaal hits van Elvis. Zinnen die mij om de oren tuiten. Er is de tekst ‘En leefden’ uit Wat overblijft is het verlangen (Van Halewyck, 2001) Het begint als een gedicht. Het valt uit elkaar in proza. Bewegen, of het totale gebrek daaraan, dat loopt door het gedicht, en door het proza. ‘De tram reed, reed door de stad, schommelde door de ochtend.’ ‘(…) Toen ik uit de tram stapte, (…) en besefte dat de plaveien onbeweeglijk lagen terwijl de rest oeverloos in beweging bleef (…)’ Angst wijkt voor het woord. Vrouwen laten zich leiden door hun instinct. ‘Tegen dat instinct is geen mens opgewassen.’  En: ‘toen (…) hoorde ik wat ik had gezocht en wat er niet was: de schreeuw van deze menigte, (….)’

Elders schreef hij: ‘Naar de wereld heeft hij niet te kijken.’ Ironie, of overtuiging? Zelf zweert hij bij een uitspraak van de Franse dichter Eugène Guillevic: je engageert je met je leven, niet met je artistieke werk.

Elvis Peeters, in het echte leven een actieve vredesactivist, schreef ‘Beste Luisteraars’, de toespraak aan het eind van de verhalenbundel Brancusi (Van Halewyck, 1999). Het is een van de meest opruiende geschriften uit de Nederlandse literatuur

Toen kwam Wij (Podium, 2009).

Het begint mooi. Ontroerend mooi. Met afgetrainde zinnen. Afgeslankt, als de bedrijven. Al heel snel gaat het mis. Het loopt meteen goed fout. Meisjes op een viaduct over een snelweg tonen hun kutje met geen andere bedoeling dan brave huisvaders achter het stuur van hun volle gezinswagen definitief uit de bocht te doen gaan. En er is de scène waarin een vrouw een ijspegel in haar flamoes geduwd krijgt – Tot de dood ons scheidt. Het overtreft de smerigste internetsides. De roman is volgestouwd met onnoemelijke daden die moeiteloos de goorste grappen in de cafés onder de kerktorens van Steenokkerzeel en Verbrande Brug overtreffen.  Gelukkig is er in die gebieden niemand die leest!  En Onze Ouders al helemaal niet. Het bespaart hen veel verdriet.

Wij is het trieste relaas van wat er gebeurt als de jeugd de liefde gaat bedrijven zoals bedrijven alles bedrijven. De documentaire The Corporation van Mark Achbar (Canada, 2003) inspireerde Peeters voor zijn roman. De prent legt haarfijn uit hoe halverwege de negentiende eeuw Amerikaanse bedrijfsjuristen het voor elkaar kregen dat corporaties dezelfde rechtspositie kregen als individuen van vlees en bloed. Aandeelhouders van grote bedrijven blijven sindsdien buiten schot, terwijl een onmenselijke entiteit –  ongehinderd door geweten of maatschappelijke verantwoordelijkheid – zijn bodemloze geldhonger probeert te stillen. De filmmakers bekijken de multinational als een patiënt bij de psychiater.  Het moreel besef van de multinationale onderneming komt overeen met de persoonlijkheidsstructuur van de psychopaat.

Na het lezen van dit boek ben ik niet meer dezelfde. Een onbeschrijfelijk onbehagen maakt zich van mij meester telkens ik woorden hoor zoals ‘de liefde bedrijven’. Net voor ik dreig te verzinken in volslagen radeloosheid duiken enkele woorden op uit Roderik Six’ roman Vloed(De Arbeiderspers, 2012): ‘Niet de beelden (carnavalesk feestende demonen), noch de betekenis (het regent én de zon schijnt). Nee, enkel de woorden.’ (p.167)

(wordt vervolgd)

 

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: