Archive for 5 november 2008

THIS MONKEY’S GONE TO HEAVEN

november 5, 2008

 “De duivel bestaat en god bestaat en de mens bestaat. Duivel en god slechts als droom of zeepbel, een real nichtigkeit (zoals data in een informatiestroom), een rol die gespeeld wordt door een acteur. Afhankelijk van de vertolking krijgt men soms een leven na de dood. Niemand weet voor hoe lang.”

Gelukkig is er reclame. Reclame biedt houvast. Reclame geeft structuur – Aan het leven, aan onze dagen. Reclame knipt in stukjes; reclame houdt nauwlettend de klok in de mot, om het angelus te kleppen of een doos Kelock’s voor ons uit te schudden. Reclame serveert een beschuitje of een Royco Minute Soup, een tienuurtje of een vieruurtje, een zoutje of een zoetje of een zuurtje. Dit is mijn bloed. Dit is mijn lichaam. Drink en eet hiervan gij allen. Gulzig. Knapperig vers. 0% vet. Bevat Omega 3. Boordevol vitamines. Ik straal van binnen.

Alle reclame is heilig – Behalve trailers voor Bambi.

Reclame is de onderbreking die nodig is om de dingen te laten bezinken, herkauwen, een kort moment van contemplatie, de tijd die nodig is om naar de koelkast te lopen, het kort moment waar bedrijven zwaar voor betalen om ons de kans te bieden even naar het toilet te gaan. Reclame is de Goede Boodschap. Wonderbaarlijk vermenigvuldigd. Reclame is de god waaraan men offert. Clips zijn onze gebeden, de avond een paternoster van clips.

Een kort moment van afwezigheid. Is het narcolepsie? My Own Private Idahio. Time-lapse beelden. Het universum vervat in een seconde. “Een fenomenale feminatheek,” hoor ik mezelf nog zeggen, “zouden de mensen daar vandaag nog wakker van liggen? Onschuldige prentjes. Een zielige oude man die duizenden prentjes uitknipt en die rangschikt volgens thema, zoals reclame onze dagen en ons leven, structureert.”

Te allen tijde moet men er zorg voor dragen dat een speech niet verwatert. Ik vreesde dat sommigen toehoorders reeds kenmerken van uitdroging begonnen te vertonen. Ik probeerde hun aandacht te houden. Het is goed de toespraak te larderen met een grapje.

“Schrijven is schrappen”, zei ik, “U inspireert mij.

Verwacht van mij geen nieuwe religie. Het zou fijn zijn als er een god bestond, een hiernamaals en alles wat erbij hoort. Ja, dat zou fijn zijn, als er een grote zalvende troostende god zou bestaan. Maar wij weten beter. Als kind wou ik de sprookjes zo lang mogelijk rekken. Kunstmatig in stand houden. Achterhoedegevecht tegen de realiteit die verschrikkelijk was. God is Peter Pan, en Pan is een god, en god is pan. Maar niemand weet hoe lang.”

In mijn hoofd – “Ge kunt nie’gelove’wa’nen magnifieken toon. ’t is just de stemme van Louis-Paul Boon- klinkt een lawine van lawaai. Een song. Van The Pixies. Snoeihard: Monkey Gone To Heaven.