Archive for november, 2008

STATION TO STATION

november 13, 2008

Poëzie is een lied/met vele registers.//

Het was 1988 en wie was de schim daar op die berg in Assisi?/Dirk V., Didi de Paris, of gewoon/Country ‘Cow’ Joe? Wie zegt het?// 

Hij was daar –al enkele jaren/vertrouwd (met zijn heidens altaar:/het wonderwezen aan zijn zij.)/Hij had geen huis en evenmin een bed: hij was een heer./Dag aan dag schreef Hij Haar/(Neer). Tot ze vleugels kreeg/En op een ochtend – uit onrustige dromen ontwakend-/Veranderd was in een engel.// 

Zaten ze in een processie – Kaarsjes? Vuurvliegjes?/Zij stegen. Jaren vóór hij gehypnotiseerd zou worden/door de magie van Thomas Mann zijn Toverberg.//

 Nog weten zij niet welk lied het was dat hen die zoete zomernacht/  -fonkelende lichtjes alom – naar de hoogste top heeft gebracht.// 

Bowie zong het eerst (als magistraal madrigaal)/op “Station to Station”, 1976. Daarna/Nina Simone, en Cat Power ook.//

In geen enkele quiz/weet men nu nog/van wie dit lied is.//

 

Advertenties

ALL THAT HEAVEN ALLOWS

november 12, 2008
mutiny_on_the_bounty_disc_1-51
Heeft u het al meegemaakt? Een verschijning of een verdwijning?
Mijn mooiste verschijning vond plaats in 1872.
Anderhalve eeuw later is het nog altijd een lichtpuntje, een speldeprik, een zwart gat in de cosmos; een kleinood; een boek…
Een goed schrijver moet afzien. Dat is romantisch. Het boek waarover ik het wil hebben werd geschreven één jaar na de Commune van Parijs. De auteur was er bij betrokken geweest. Men had het al eens geprobeerd. In Lyon. De commune verzandde er in apathie. Niets menselijks is ons vreemd. In Parijs heeft het volk als in een kortstondige heftige romance, zoals in de boeken van Louis-Paul Boon de trom geroffeld en met de zwarte vlag gezwaaid. De oude wereld wou men stukslaan en inruilen voor een splinternieuwe. Een sterk beeld. Van kindsbeen af meegedragen als een scapulier op het tere lijf, zoals Uilenspiegel de as van zijn op de brandstapel vermoordde vader meedroeg op zijn borst. Voor mij neemt dit boek nog aan kracht toe. Het is een talisman. Een relikwie. Een toverspreuk. Ingenaaid. Onderhuids…
Duitsland en Frankrijk, kort daarvoor nog erfvijanden, stuurden hun legers. Het geteisem zou men mores leren. Het tuig van den richel uit zuiveren, weg branden. Tot de laatste man, tot de laatste vrouw, tot het laatste kind… Het was een godsdienstoorlog. Een kwestie van geloven. Tussen puinhopen en bergen van barmhartigheid, mistbanken van kruitdamp, wadend door het bloed dat kolkte in de goten. Langs beide kanten van de barricaden dacht men dat er offers moesten worden gebracht. Alles binnen de enclave werd verscheurd met de wreedheid en bloeddorstigheid van hitsige beesten. Het was een verderzetten van de kruistochten, de godsdienstoorlogen, een verbeterde versie van de Franse revolutie, de voorbode van de revoluties die nog komen zouden… Een voorafspiegeling van de concentratiekampen. Elk systeem had ze nodig.  Bleek achteraf…

Ja, in “God en de Staat” stelt Michael Bakoenin dat “geloven” ruimer moet gezien worden. Het slaat ook op materialisme; geloof in wetenschap, geloof in beursnoteringen, in wiskunde, ideologie, technologie, de bank, de markt. Tot ver voorbij de godsdienst. Dat maakt het tot een Heilig Boek.

RADIO, LIVE TRANSMISSION

november 6, 2008

(Voor Ilonka R.)

 

Over de biotoop is weinig bekend. Mogelijk groeit de “valse plataan” alleen in de volksmond. In elk geval hadden ze bij Dirk V. en Didi de Paris thuis achter in de tuin een valse plataan staan…

 

Alles, de huizen en de percelen waarop ze gebouwd waren, was berekend en uitgemeten. Tussen hoge muren lag het tuintje. Links voor  – een uitbouw, een aanbouw – het atelier van de vader.  Daaraan vastgekoekt, dramatischer kan het niet, het meest miserabele weeceetje van West-Europa. Zonder stromend water. Echt iets voor mensen die nog geen toiletpapier kochten. 

            Daarachter, nog ter linkerzijde, de enorme zandstenen muur. Bovenaan schuurde tegen de hemel aan een jaartal: 1792.

            Verder alleen hoge witgekalkte muren. En de rest was aanbouw, zo ver het oog reikte. Een kakafonie  van hoge tonen en lage tonen, de koterij bij de buren.

            De tuin was een kubus. Strak gecomponeerd samenspel van staande en liggende lijnen. De middeleeuwse galg, de kubus van Francis Bacon. De tuin van Villa des Roses? Of “Suprematisme”, 1922-1927 van Kazimir Malevitsj?

            In de witte kubus bloeiden rozen en vele andere bloemen, alles binnen de perken. Op de vensterbanken treurden de geraniums in de  daartoe bestemde bakken. Een rond cementen vijvertje in het midden van het gazon -Malevitsj? Meer heeft een schrijver niet nodig om aan de slag te gaan…

            En hier gebeurde het. Voor de allereerste keer. Op een gammel tuintafeltje. Dirk V zat op een oude keukenstoel. Die zakte–heel vervelend – voortdurend in de grond. Dirk tikte op een schrijfmachine. Sinterklaasgeschenk. Van zijn zus. Paar jaar ouder. Hij had het over Pancho Villa. In de eerste zin stond het woord “revolutionairen”.

 

Op dit gazon gebeurde het, een slordige tien jaar later. Op een warme dag bij het vijvertje zat Didi de Paris, in volle wording, tussen de madeliefjes in een strandstoel… “Chaise Atlantique” heette zoiets toen nog. Didi keek naar de witte wolkjes in de staalblauwe hemel. Hij wist niet of het boek, de wereld, of de stoel plots was dichtgeklapt.  Dan, als in een koortsaanval, las hij  verder in de bladzijden van de oude  Marquis.

            Was het 1979? Of 1980? Louis-Paul Boon was al dood. Uit de transistor klonk venijnige muziek. Kwamen de kwalijke klanken uit de grond? Als op een mooie zomerdag een vlieg die sterft in een bodempje limonade.  

            Hij luisterde, al zo een tien jaar ’s nachts onder de dekens met zijn minitransistor naar radiopiraten. Daarvoor was hij alleen maar bang geweest, ´s nachts. Het rolluik mocht nooit neer. Van deze poppenkast mochten de gordijnen niet dicht. Soms, als hij de slaap niet kon vatten, en de sterren en vliegtuigen telde, viel van onder, vanuit het atelier van zijn vader, een vreemd licht. Het veranderde de tuin in een speeldoos, een camera obscura. Dan kon het gebeuren dat in de tuin de broeierige zomernacht de tover kreeg van een winternacht vol sneeuw.  Spookverlichting viel op het gebladerte van de valse plataan. Dirk kroop diep onder de sprei. Zijn ogen dichtgeknepen, en hij zette het op een bidden. Hartstochtelijk. Opdat in de valse plataan niet aan hem verschijnen zou O. L. Vrouw.

THIS MONKEY’S GONE TO HEAVEN

november 5, 2008

 “De duivel bestaat en god bestaat en de mens bestaat. Duivel en god slechts als droom of zeepbel, een real nichtigkeit (zoals data in een informatiestroom), een rol die gespeeld wordt door een acteur. Afhankelijk van de vertolking krijgt men soms een leven na de dood. Niemand weet voor hoe lang.”

Gelukkig is er reclame. Reclame biedt houvast. Reclame geeft structuur – Aan het leven, aan onze dagen. Reclame knipt in stukjes; reclame houdt nauwlettend de klok in de mot, om het angelus te kleppen of een doos Kelock’s voor ons uit te schudden. Reclame serveert een beschuitje of een Royco Minute Soup, een tienuurtje of een vieruurtje, een zoutje of een zoetje of een zuurtje. Dit is mijn bloed. Dit is mijn lichaam. Drink en eet hiervan gij allen. Gulzig. Knapperig vers. 0% vet. Bevat Omega 3. Boordevol vitamines. Ik straal van binnen.

Alle reclame is heilig – Behalve trailers voor Bambi.

Reclame is de onderbreking die nodig is om de dingen te laten bezinken, herkauwen, een kort moment van contemplatie, de tijd die nodig is om naar de koelkast te lopen, het kort moment waar bedrijven zwaar voor betalen om ons de kans te bieden even naar het toilet te gaan. Reclame is de Goede Boodschap. Wonderbaarlijk vermenigvuldigd. Reclame is de god waaraan men offert. Clips zijn onze gebeden, de avond een paternoster van clips.

Een kort moment van afwezigheid. Is het narcolepsie? My Own Private Idahio. Time-lapse beelden. Het universum vervat in een seconde. “Een fenomenale feminatheek,” hoor ik mezelf nog zeggen, “zouden de mensen daar vandaag nog wakker van liggen? Onschuldige prentjes. Een zielige oude man die duizenden prentjes uitknipt en die rangschikt volgens thema, zoals reclame onze dagen en ons leven, structureert.”

Te allen tijde moet men er zorg voor dragen dat een speech niet verwatert. Ik vreesde dat sommigen toehoorders reeds kenmerken van uitdroging begonnen te vertonen. Ik probeerde hun aandacht te houden. Het is goed de toespraak te larderen met een grapje.

“Schrijven is schrappen”, zei ik, “U inspireert mij.

Verwacht van mij geen nieuwe religie. Het zou fijn zijn als er een god bestond, een hiernamaals en alles wat erbij hoort. Ja, dat zou fijn zijn, als er een grote zalvende troostende god zou bestaan. Maar wij weten beter. Als kind wou ik de sprookjes zo lang mogelijk rekken. Kunstmatig in stand houden. Achterhoedegevecht tegen de realiteit die verschrikkelijk was. God is Peter Pan, en Pan is een god, en god is pan. Maar niemand weet hoe lang.”

In mijn hoofd – “Ge kunt nie’gelove’wa’nen magnifieken toon. ’t is just de stemme van Louis-Paul Boon- klinkt een lawine van lawaai. Een song. Van The Pixies. Snoeihard: Monkey Gone To Heaven.

DE FLES & ANDERE MOEILIJKE WOORDEN

november 4, 2008

 (voor Lukas Simonis)

Ver voorbij het midden van de rechte weg die ik heel de tijd gevolgd had raakte ik van de baan af. Ik bevond me in een donker woud.

Het is altijd wel ergens duister – Een gedachte die troost bij valavond, zoals het water dat zuivert aan de rand van het bos, en de dag die wegzinkt in de nacht, gitzwart als het wegdek, fonkelnieuw, ligt er nu verlaten bij. Non-stop rond en vol staat de maan op het bord langs de weg. Het soort borden dat bevolkt wordt door verborgen verleiders. Ook op zonnige dagen doet dit paneel de gedachten afdalen naar het diepste duister, waar dicht bij de afgrond wolven samen komen om te huilen naar de maan. Gele cirkel, spiegelbeeld van de zon, paardeoog in de nacht. Onder het zwerk, van duister zwanger, hebben silhouetten, zwart en grijs, zich aan elkaar geregen tot een woud. Slierten wolken trekken als honden aan hun ketting. Blauwe schimmen in het maanlicht. Is het een tekening? Computeranimatie? Oude verhalen over kinderen die opgevoed werden door wolven steken weer de kop op. Als een glazen stolp hangt de nacht te broeden over het panorama.

De poster is een schrijn, een zwart gat, een wormgat waar wolven heulen, ingevroren, in de glazen vitrines opgezet (flipperkasten van de tijd), vissen onder het ijs. Dan – Een-twee-drie-piano! De wolven zijn van plaats veranderd. Zo gaat het. Één geneert zich niet. Tegen de grond gedrukt dorst hij naar strelen, sluipt op de fles toe, schuifelt, houdt halt, kwispelt, vervolgt. Zijn tong hangt uit zijn muil. Hij snuffelt. Likt water. Naast hem ligt de fles, een PET-fles.

De fles is leeg.

Is het de wind die huilt in een fles? Ik spits de oren, langgerekt als het gehuil off-screen. De affiche scheurt. De wolf springt uit het bord. Minuten later volgen ontelbare groene ogen de grijze wolf in de elektrisch blauwe nacht. Gefladder in de donkerste hoeken van het bos. Komt het edelhert? Soms verschijnt het met in zijn gewij de neon gloed van een kruis. Vele verhalen doen de ronde. Teveel geheimen om te onthullen in één nacht. De drenkplaats ligt er verlaten bij. Nu en dan blaast een bries over het water. Dauw hangt in de lucht. De grond geurt indringend. Elk haar van de wolf is rechtop gaan staan. Zijn tanden blinken in de maneschijn. Diep gegrom. Hal-la-li! Hal-la-li! Hoorngeschal rolt af en aan vanuit de verten, zoals wind over grasvlakten, door zilverberken en struikgewas. Meerstemmig hondengeblaf! Met één sprong zit de wolf weer in het reclamepaneel.

En vol was de fles.

VLAAMSE POLYFONIE (TUSSEN SLAPEN EN WAKEN)

november 3, 2008

Het is allemaal een kwestie van timing. Ruik ik wierook? Het is een grijze ochtend. Kraaien krassen in de mist. Is het wijwater dat uit mijn mond spat?

Ik nipte van mijn glas. Stormachtig applaus barstte los… Ik wist niet hoe lang ik de massa nu al in bedwang hield. Zo ver ik mij herinner heb ik nooit black-outs gehad. Wel is er het troebele terugblikken op de sjamanistische missies, verspreid over de jaren. Allen verliepen volgens hetzelfde scenario: mijn lichaam bleef ergens liggen terwijl mijn geest ongecontroleerd door tijd en ruimte flitste.

Tijdens mijn speech in de Oude Abtswoning van de Abdij van Dieleghen voelde ik mij weer als aan de universiteit. Dat besef ik nu bij het neerschrijven van mijn zeven litanieën. Buiten het aula-gebeuren verliep alles er prima. Naar sommige lessen was ik al zo lang niet meer geweest dat ik er mijn kop niet meer durfde te vertonen.

Het is de altijd weerkerende droom: in de grote zaal krijg je de vragen. Je hebt vier uur de tijd. Alles gaat uitstekend. Tot het vijf voor twaalf is en je merkt dat je nog maar één van de twintig vragen opgelost hebt…

Ik vrees de vragen die buiten het boekje vallen (apocrief): waar heb je nu weeral gezeten? Je tijd zo zitten verdoen! Je bent net Rip van Winkle. Jaren geslapen, decennia geleden. Een verhaaltje in een handboek Engels. Alle boerenkinkels liepen rood aan, stotterden, struikelden allemaal over het woord “people”, leek verdacht veel op “poepen”.

Of je bent een still uit een film. Een van de patiënten die lijden aan katatonie. Een gevolg van hersenontsteking. Het is jaren zestig. Een jonge neuro-psychiater experimenteerde met L-Dopa. Verbazingwekkende resultaten werden behaald. Niemand kan zeggen voor hoe lang.

Wanneer word jij eens slimmer? Wanneer ga jij eens iets leren? Je draai vinden in ’t leven? (De vragen blijven priemen.)

’t Is toch erg voor al die mensen die daar naar u zaten te luisteren, en diegenen die u hier nu lezen – misschien.

Sommige gelovigen keken mij schaapachtig aan, anderen engelachtig, en hier en daar een die stond beaat te glimmen – alsof ze Hertekamp verwachtten. Eentje ergens ver weg in het publiek hoorde ik gremellachen. Hij had een roodaangelopen hoofd (waarschijnlijk een professionele receptieschuimer): “Alla, is dat nu ook al nen heilige, een tekst over de verschijning van Louis Paul Boon?”