Kunnen uitgevers onze vrienden zijn? Nou, en of!
Zaterdagavond, na de even schitterende als uitgelopen avond in de Stadsschouwburg waarmee men in dit Babylon aan de Dijle de vijfentwintigste verjaardag van het verschijnen van “Het verdriet van België” fêteerde, trakteerde de uitgeverij op wat eufemistisch omschreven werd als “een glas”. Aan het eind van de avond – rijgsnoer van metaforen – was de ravage nog nauwelijks te overzien. Met enige beeldspraak zou ik zeggen dat de kat weer bij de melk werd gezet. Gelukkig kan men voor deze ene keer al het hele gebeuren bedekken met de mantel der liefde want alles vond plaats in het kader van het grote feest dat Kulturama was. Gedurende dagen was het stadje veranderd in een speeltuin, een zandbak. Dagenlang graaide ik als een scharrelkip in de letterbak.
Twee dingen vielen zaterdagvond op. In de eerste plaats dat de meest politieke statement kwam van Dimitri Verhulst. De schrijver had het o.a. over mensen die nooit een boek openslaan, maar wel Hugo Claus -als publiek figuur – kennen. Daarnaast werd mij nog maar eens duidelijk dat de beste acteurs inderdaad niet altijd op de bühne te vinden zijn. Waarom geeft men niet eens een Oscar aan een van onze politici? Zaterdagavond gaven ook de heren Guy Verhofstadt en Louis Tobback acte de présence. De één burgervader van mijn stad, de ander is gerant van mijn land – een poëtische natie. Met welk een grandeur hebben die zich van hun taak gekweten! Klassebakken zijn het! Hoog tijd dat ze de politiek verlaten en de showbizz intrekken. Ik daarentegen, maar dat had u al begrepen, wissel zeer binnenkort de literatuur in voor de politiek. Maar daarover later meer.
Zondag echter bleef een droge dag. Ik nam deel aan de marathonlezing uit het “Het Verdriet van België”. En zoals op de opname te horen valt, heeft Zijne Gekateriseerdheid het er heel wat minder schitterend van afgebracht. Het viel niet mee zo onvoorbereid in andermans tekst te ploeteren en te improviseren met het lezen van een tekst die men zich nog niet “eigen gemaakt heeft”. En toch, als men de andere dagen, zoals ik dat gisteren met mijn lezing gedaan heb, systematisch had gedigitaliseerd dan was al dat fraais nu allemaal bewaard gebleven…
Na het voorlezen trok ik de stad uit. Ik verkleedde mij als chirurg. In de velden lag ik op mijn buik te wachten tot het donker viel. Toen drong ik de Afdeling Kamerplanten van het ziekenhuis binnen. In een hoekje lag de tweederangs acteur die binnenkort premier wordt van deze koninklijke bananen- en witloofrepubliek. Uit mijn jaszak haalde ik een badge. Een button. Een ronde middelgrote, zoals die vaak gedragen werd in tijden van punk en andere juvenale baldadigheid. De badge was rood -zo ben ik nu eenmaal. De patiënt en ik keken elkaar aan. Het was geleden sinds mijn tête-à-tête met Moeder Theresa dat ik nog eens zo een warmte voelde. Ik stak de badge op zijn hoofdkussen. Het plastic omcirkelde de woorden: het verdriet van België.
Uw reportertje ter plaatse
Tintin de Louvain