Langs deze weg had ik graag de heer Ludo Helsen, die al sedert mensenheugenis het cultureel leven in het Antwerpse sedateert, benaderd om hem in te schakelen om mijn werk eens goed te censureren. In deze tijd waarin de markt, volgens haar eigen wetmatigheden, beter en efficiënter censureert dan de hardnekkigste dictatuur, is censuur zowat het allerbeste wat een kunstenaar kan overkomen. Enkele bekende en minder bekende voorbeelden. Het werk van de schabouwelijke marquis De Sade, de film L’Empire des Sens, het theaterstuk Masscheroen van Hugo Claus, en recentelijk de schilderijen van Dennis Tyfus. Censuur is de goedkoopste en snelste weg naar commercieel succes. Maar hij, die meneer Helsen dus, heeft geen stijl. Iemand moet het hem eens zeggen dat het scabreus oogt zo’n snel op en neer bewegend ringbaardje op de buis. Hugo Coveliers is in hetzelfde bedje ziek. In het geval van Ludo Helsen moeten we niet meteen alle hoop op geven. Vaak kan al veel bereikt worden met een eenvoudige ingreep. Bijvoorbeeld hem een papieren zak over zijn hoofd trekken, of – simpelder nog– hem vervangen door Wim Helsen!
Misschien moet men dit alles in een ruimer kader zien en schuilt er achter dit alles meer serieux. Het sturen van Belgische troepen naar Afghanistan en een regelmatig laten opduiken van waarschuwingen voor een verhoogd terrorisme, zoals vanochtend met het ALF, moeten gezien worden als de aanloop naar de grootscheepse viering van de vijfenzevenstigste verjaardag van de Reichstagbrand… in de nacht van 27 op 28 februari 1933.
Didi de Paris