We werden verblind door een witte gloed. We sprongen uit bed, wrongen de voeten in onze sloffen, sloegen een kamerjas om en liepen naar het venster. De ijsbloemen beademden we tot ze open gingen. Nooit eerder hadden we dit gezien: over de wereld was een dikke witte sprei gegooid. Een dweil aan de waslijn, een jutten zak waar steenkool in gezeten had en een verloren kruiwagen op het grasveld. Alles was verstijfd, had vaste vorm gekregen, overal fonkelenden kristallen. En de wind had witte lijntjes geblazen in de poriën van ons perzikkenboompje, onnavolgbare patronen. Alles was met elkaar verbonden door zilveren spinnewebben. Tegen zoveel oogverblindende maagdelijkheid was elke berijpte tak een toverstaf.
Later die dag, het duister zou niet lang meer op zich laten wachten, sjokten mijn oma en ik door de sneeuw. Wij wandelden vaak. Tot voorbij de einder. Soms door de bijtende koude. Op zondag eindigde de omzwervingen tegen drieën aan Ciné Modern. Volwassenen betaalden tien frank, kinderen vijf. Kregen we twee films voor!
De zaak is al decennia verdwenen, moest plaats ruimen voor parking. De projector is blijven draaien. Op de spoelen zit geen film meer. Een lichtvlak op de muur. Spookwit. Uit de wand springt een kegel van licht. De stralen bundelen zich tot het punt waar het licht zo sterk is dat men er niet meer kan naar kijken. De spoelen tikken. In het licht kringelen zwart-witte beelden. Waarschijnlijk uit ‘Nanook of the North’ . In de eerste klas leerden wij een lied over eskimohond. Tegenwoordig is dat een husky bij de Inuit…
In het eerste leerjaar heeft het ook gesneeuwd. In het tweede ook. Vroeger kregen we altijd sneeuw met Kerst. Het sneeuwde vroeger meer dan nu. Vandaag is sneeuw uit den boze. Het sneeuwt niet meer, het vriest niet meer, winter en zomer hebben we de verwarming aan. Allle sneeuw is gesmolten, nog even en dit land is weer zee.
Ik draag een bevroren meer in mij. Zo ver het oog rijkt. Elke herinnering hakt een wak. De beelden stromen. De vissen happen naar lucht. Het ijs kraakt. Eenmaal gebroken, zet de massa zich in beweging. Onstuimig stuwen en klotsen, Het klingelen van ijsblokjes in een glas. Cola. Kinderpiano. Pling pling. Sterk is de stroming. Op een ijsschots staat een vrouw met een bay in haar armen. “Aan de overkant ligt Canada. De vrijheid!” las ik in “De Negerhut van Oom Tom”.
Ooit moet de wereld bedekt geweest zijn met een dikke laag ijs. Glestsjers, ijsbergen. Glijbanen op de speelplaats… Hoe dik de sneeuw zich ‘s ochtends ook opstapelde :bij de eerste middagzon trad de dooi in. De eerste jaren bestonden uit dooi. Dooi, zo ver ik mij herinner. Alsof wij niet hier woonden, maar op Groenland. Aan de dakgoten hingen ijspegels. Op elk moment kon een gruwelijk kouwe druppel tussen de hemdsboord vallen en tergend traag over het jonge warme lijfje glijden.
Het knerpen hield gelijke tred met de lucht die langs mond en neus binnen gezogen werd en even later omgezet in wolkjes. Als de vlokken bij tienduizenden in het licht van een straatlantaarn dansten, zei oma: Jeezeke schudt zijn beddeken uit. We liepen door de eerste sneeuw op het kerkpad. Iets lager lag de parking voor vier auto’s. Plaats zat. Hier en daar zaten bobbels in het witte tapijt. Onder een opeenhoping zat een diepte. Merkte ik, toen ik tot aan mijn schouders in de sneeuw stak. Ik hapte naar adem. Eén hartslag was ik een straatmus, een roodborstje. Koperrood schijnsel viel over mij. De koude kwam niet van buiten. Ik wou wegzinken in de sneeuw. Eén worden met het land. Dat al weken in staking was. Er al weken roerloos bijlag.
Het was de winter van 60/61. In de straten lag sneeuw, zwart en modderig. Alsof er tanks hadden doorgereden. Met rupsbanden zoals in het Ardennenoffensief. Ik kende dat van in Ciné Modern, en van Vava die vertelde in zijn rieten stoel bij de stoof.
Zo ging het. Even daarvoor was de sneeuw nog wit. Zoals de poes van oma. Oma was een zuiders type. Haar warme tinten waren een vloek in de sneeuw.