Onder mij werd het stadje almaar kleiner. Wolken vliedden langs mij heen. Ik buitelde, was een windroos in flander´s fields. Alle kanten vloog ik op. De wind nam mij mee, een herfstblad. Het feest was nog niet eens van start gegaan en het werd al afgeblazen. Typisch of symptomatisch? Ik voelde geen grond meer onder mijn voeten, werd vederlicht. Het laatste dat ik mij herinner is dat ik op een podium stond. Op de bühne heb ik al heel wat avonturen meegemaakt. Spannend is dat! Het declameren van gedichtjes. Een adembenemende hobby. In vroegere dagen beurde het wel eens dat er naar mij gespuugd werd. Pinten vlogen mij om het hoofd, maar die dag vlogen de tenten mij om het hoofd.
Vandaag heeft elk dorp zijn jaarlijks weerkerend Woodstock. Dit had niemand ooit durven dromen. Zo een nachtmerrie. Zelfs drenkplaats Leuven wordt geregeld opgeschrikt door wat men neigt te omschrijven als “evenementen”. Een welriekend eufemisme voor “een scheet in een fles”. Ook die vlag dekt de lading niet. Evenmin kan men gewagen van een storm in een glas water. Het gebeuren, of zo u verkiest, de consecratie, wordt opgediend in plastic bekertjes. Microscopische hoeveelheden bier die in plastic bekertjes opgewarmd worden tot warme zeik. Elk feest is hier een ´golden shower´.
Gelukkig is de vorige paus dood, de goedheilige man deed heiligverklaringen dat het een lieve lust was. Aan de lopende band. Sinds mensenheugenis heeft het christendom meer heiligen dan het hindoeïsme goden. Eeuwen zorgden de heiligen ervoor dat men in deze contreien geregeld wat te vieren hadden. In de Middeleeuwen was alles opgedeeld in 12O dagen feesten, 12O dagen afkicken en 12O dagen werken. Het drieslagstelsel.
Geregeld verandert het stadje in een Cloacamachine. Bij dit soort gelegenheden produceert het stadje ettelijke keren zijn gewicht in afval. Ongeacht de omvang van het evenement, het stadjes is niet meer te reanimeren, is en blijft clean en saai. Het Madurodam naast de Dijle is volledig opgebouwd uit peperkoek. Men kan er van de huizen en de vloeren eten. Geen kauwgom. Verder hebben ze hier werkelijk niets. Geen illegalen, geen daklozen, hier hebben ze niets, ze hebben niet eens fijn stof in de lucht, en –één politieke partij even buiten beschouwing gelaten -nauwelijks criminaliteit en erg klein is de kans dat de Dijle een tsunami teweeg brengt.
De zaterdag van het Wereldfeest gebeurde het onverwachte. Zeven ronden lang zou er mooie woorden worden gesproken. Over het wel en wee van het stadje. De tweede gespreksronde zou gaan over de duurzaamheid van de plaatselijke evenementen. Het was alsof met de woorden er ongekende krachten in de natuur werden ontketend.
Met bruut geweld werd het plein schoongeveegd. De wind tilde tenten op, vier vijf meter hoog. De drie biggetjes huilden. Politie, schepenen, organisatoren hielden spoedberaad, de PA-firma hield het voor bekeken, achtte de toestand niet langer veilig. En ik zat geprangd tussen sympathie voor het Wereldfeest, dat het decor werd van een miniramp werd, en een financiële aderlating tegemoet ging, en hartenpijn viel mij te beurt omdat dit het ellendig nest niet hard genoeg werd gestriemd. Hier en daar probeerden enkelen van de gelegenheid gebruik te maken om die kever van Jan Fabre omver te gooien.
Uit alle windstreken viel de wind aan. Tegen zoveel geweld was men niet opgewassen. Zelfs ik, uw rots in de branding, hield het maar één ronde uit. Daarna werd de aftocht geblazen, averij geleden.
Ik werd vederlicht, voelde geen grond meer, trappelde in het luchtledige. Een onbestemd gevoel in de maagstreek. Frisse wangen en bubbels in het hoofd. Wapperende haren. Ik steeg op, een tekstballon tussen hemel en aarde, werd een wolk gehaast, aan het zwerk. Rond mij vlogen, dwarrelden koeien, bonte koeien in de lucht. Planten, bloembakken en bomen werden in het zwerk omhoog gezogen. Twister, een film over orkanen, werd er klein bier bij. Ik wist mij omgeven door olifanten en kinderen. Fietsen, circusattributen, mooie vrouwen alles werd opgeslorpt. Hollywood-shit – een pleonasme – was er niets tegen. Telkens weer verbaast het mij dat ik slechts rust vind in het oog van een storm.