Archief voor 24 oktober 2006

Rain & Tears (zeer vrij naar Demis Roussos)

oktober 24, 2006

Ik ben een zwart gat in de nacht. Zodra de zon ondergaat zet ik alle verhalen die overdag komen aanwaaien zijn naar mijn hand. Ik geef ze alle kleuren van de nacht. Hoe donkerder het wordt hoe meer de mensen mij bestoken met hun verhalen. Vandaag mailde iemand dat ook zij genoten heeft van ‘The Endless Sunshine of the Spotless Mind’. Duizend verhalen raakten dit etmaal opgestapeld in mijn hoofd, zoals de bladeren in mijn tuin.  Jouw verhaal, Sheherazade, steel ik.

Één van haar beste vrienden had een hersenontsteking. Hij belandde in coma. De pijn was ondraaglijk. De ochtend voor zijn opname herkende hij vrouw noch kind. In de stad stond het stel geboekstaafd als bijzonder liefdevolle en uitermate gepassioneerd – een ernstig geval van fictie, dus.

Niemand was er gerust in. De echtgenote bleef al die tijd zeggen dat ze alles zou aankunnen behalve dat haar man zou doodgaan. De dokters gaven hem 33,33% kans op genezing, 33,33% op sterven en 33,33% op ontwaken met volledige uitwissing van zijn geheugen, amnesia universalis of anterograde amnesie.

En dus nog 0,01 % kans op iets anders. Waarop? Ik penetreer in jouw verhaal. Ik ben een indringer. Een dief in de nacht. Verdwijn met de noorderzon. Cyberspace is mijn luisterend oor – universeel afluistersysteem. Ik wil slechts een straatmuzikant zijn, langs de information highway. De passant charmeren met mijn vioolspel. Het gebrom en gezoem van het nooit aflatende verkeer probeer ik te overstemmen. 

66,66% kans dat alles goed kwam, redeneerde de vrouw, onverwoestbaar optimistisch. Ze twijfelde er geen seconde aan dat hij erdoor zou komen. Alles was beter dan Optie 2. In geval drie kon ze er voor zorgen dat hij haar van voren af aan opnieuw leerde kennen en helemaal opnieuw verliefd werd op haar. Alle stappen van verliefdheid opnieuw beleven leek haar fantastisch. De liefde in een eeuwige loop geplaatst.

Now in the Summer. I could be happy or in distress.’ Vanwaar duikt die muziek plots op zo midden in de nacht? Ben ik de enige die dit hoort? Het zijn flarden van een zomerhit. PIL, ‘The Flowers of romance’. 1980, denk ik, terwijl het laatste zinnetje wegsterft. ‘I’ll take the furniture and start all over again.’

Het is de wind, mijn kind.

“Ik vergeet nooit hoe ze dat verwoordde tegen ons. Diegene die diende opgepept te worden pepte ons op. De man was, een beetje gelijk gij, een beest van een vent.”

Vanwaar komt die stem?

“Na een week werd hij wakker. Zijn geheugen en al de rest was volledig intact. Was het levenslust, angst of dankbaarheid? Na dit vreemde en wrede intermezzo heeft hij zijn aantal nakomelingen drastisch opgevoerd….van 1 … naar 6 -”

Kijk naar buiten. Wat kleeft er aan het raam? Een kwakje visuele poëzie? De letters druipen naar beneden. Zoals in “Il pleut” van Apollinaire? Een gedicht uit 1914.

Niets smerigs, niets belachelijks. Het zijn geen regendruppels.

 

I See a Red Door and I Want It Painted Black

oktober 24, 2006

Tussen slapen en waken word ik vaak bezocht door teksten. Het voorbije jaar had ik dat met “Zwerm” van Peter Verhelst, en na het zien van “Excavations”, adembenemd theaterwerk van Marijs Boulogne.

De laatste weken lees ik veel poëzie. Dat wil zeggen dat ik enkele gedichten lees en herlees en herlees. Ik ben een van die mensen die bitter weinig poëzie kennen. Ik wil gewoon elke syllabe in mijn brein stansen. Enkele gedichten van Rimbaud, enkele van Baudelaire. Pound en Rilke staan ook op het verlanglijstje, worden wegens overweldigend succes, eerdaags teruggeroepen voor een bisnummer in de grote leegte in mijn schedel.

En dan nu Claus. Het is moeilijk om er onbevangen naar te kijken, zonder te vervallen in de idiote idolatrie die hem te lande al sedert mensenheugenis te beurt valt. Met als potsierlijk hoogtepunt de jaarlijkse tragi-comedie waarin ons nationale monument nu al voor de zoveelste keer op rij op een haar na de Nobelprijs mist. Significante ruis van minukele naties. En toch, toen meneer en mevrouw Claus op de avond van de voorbije gemeenteraadsverkiezingen op de Grote Markt in Antwerpen dronken van geluk uiting gaven aan hun tevredenheid omdat nu eindelijk het kwaad bezworen lijkt -Of is het blijdschap om een dooie mus? – dat behoort tot de mooiste beelden uit mijn televisiearchief.

Vannacht was het weer prijs. Ik werd lastig gevallen door een gedicht. Ik kon de slaap niet vatten. Deze keer was “Broer” de boosdoener. Niet zozeer omdat het een fantastisch gedicht is. Maar omdat ik die man weer voor me zag. Guido Claus. Sporadisch liep ik hem tegen het lijf. Tijdens literaire manifestaties. Het muzikaal straattheater-duo Twee Wezen. Corpulentie in gestreept matrozenpak gewrongen.

Alsof ik een bijensteek had gekregen, recht in mijn hart en daar allergisch op reageerde.

Ik bladerde verder door de bundels… Herman de Coninck, Sus Verleyen, etc. De doden stapelen zich op. De galerij van dodenmaskers is impressionant. Ik denk dat ik straks Bob Dylan ‘Not Dark Yet’ draai…

De voorbije zomer stond ik oog in oog met het gedicht “De kastelein van de Hotsy Totsy” Het begint met “Achter de gevel hier” –de stenen muur smeulde nog, ik vermoede de sfeer van grootse dagen – en eindigt met “hier om de hoek” – Het leven in een notendop.

“Broer” is zo een gedicht waarbij een bijsluiter hoort. Verboden te lezen voor het slapen gaan.